Tags

, , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

De sluitertijd is één van de drie belangrijkste factoren, welke bepaalt hoe een foto er uit komt te zien. Diafragma en lichtgevoeligheid ( ISO) zijn de andere twee bepalende factoren. We noemen dit de belichtingsdriehoek waarbij elk element een hoek inneemt en een gelijk effect heeft op de uiteindelijke belichting.

belichtingsdriehoek1

De sluitertijd bepaalt hoe lang het licht op de sensor valt. De sensor is heel lichtgevoelig, sluitertijden zijn daarom vaak heel kort: fracties van seconden. Sluitertijd wordt uitgedrukt in waarden zoals 1/640 sec, 1/250 sec. ect. Hoe hoger het getal, hoe sneller de sluiter weer dicht gaat en hoe minder licht er op de sensor valt.

Er bestaat niet één juiste sluitertijd. Om een goed belichte en niet bewogen foto te krijgen ben je afhankelijk van de hoeveelheid licht en de grootte van het diafragma. Ook kan je nog de ISO omhoog schroeven.

Hoe langer de sluitertijd is, hoe meer risico je loopt dat de foto is bewogen. Want – zolang het licht op de sensor valt- moet je de camera stil houden.

Het volgende ezelsbruggetje wordt vaak gebruikt: 1 gedeeld door de focale lengte van de lens = minimum sluitertijd. Dit klinkt erg ingewikkeld, maar het valt mee: Als je met een 70-300mm zoomlens op 200mm fotografeert, dan moet je sluitertijd ongeveer 1/200sec zijn voor een scherpe foto. De dichtstbijzijnde sluitertijd is dan 1/250sec.

Tot ongeveer 1/60 – 1/40 sec kan je de camera meestal nog handmatig stil houden. Daaronder zal je steun moeten zoeken om bewegingsonscherpte te voorkomen.  Denk hierbij aan bv een statief, stoel of een rijstzak, gebruik een muurtje…wees creatief…

Tip: Als je snel 3 foto’s achter elkaar neemt door de ontspanknop ingedrukt te houden, is de middelste foto vaak scherp.

Gelukkig hebben fabrikanten beeldstabilisatie ontwikkeld. Dit kan tot wel 2 – 3 stops winst betekenen. Dit zou in de praktijk betekenen, dat je met een sluitertijd van 1/250sec nu op 1/125 of op 1/60 ook nog een scherp resultaat krijgt. Hier hangt wel een prijskaartje aan. Lenzen met beeldstabilisatie zijn duurder en zwaarder.

Als de sluitertijd te lang is, waardoor je een bewogen foto krijgt, kan je dus kiezen om het diafragma verder open te zetten of de ISO-waarden te verhogen, zo valt er meer licht op de sensor.

Voorbeeld van de Sluitertijden-reeks:

8s – 4s – 2s – 1 – 1/2 – 1/4 – 1/8 – 1/15 – 1/30 – 1/60 – 1/125 – 1/250 – 1/500 – 1/1000 – 1/2000 – 1/4000

(Deze cijferreeks is recht evenredig, omdat zij is afgeleid van de tijdsduur, die telkens gehalveerd of verdubbeld wordt.)

Kies je een langere sluitertijd, dan wordt de tijd dus verdubbeld en kan er twee keer zo veel licht naar binnen. Neem je een kortere sluitertijd, dan wordt de tijd gehalveerd en wordt er dus twee keer zo weinig licht doorgelaten.

Zoals al eerder gezegd, zijn de 3 factoren die de foto bepalen diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid.  Gelukkig denkt de camera intelligent met je mee en hoef je je niet met alle 3 factoren tegelijk bezig te houden: als je de camera op sluitertijd-voorkeur zet, kan je zelf de TV-waarde kiezen. ( bij Canon heet dit TV, bij Nikon S) De camera stelt heel slim het bijpassende juiste diafragma  in zodat de foto niet wordt onder- of overbelicht.

Sluitertijd bepaalt dus in grote mate de bewegingsonscherpte. Soms kan dit juist de bedoeling zijn, om snelheid vast te leggen, zoals stromend water of een snelle auto. Zo kan je meer dynamiek in je foto brengen. Ook kan je het beeld “bevriezen” door een snelle sluitertijd te kiezen.

Hieronder zie je voorbeelden van spelen met sluitertijden.

_MG_7712

TV: 1/50    F 5.6    ISO 100

_MG_7715

TV 1/6    F 29    ISO 100

IMG_5011

TV 1.0    F 36    ISO 100

IMG_5015

TV 1/1000    F 36    ISO 100

IMG_6015

TV 1/20    F 22    ISO 100

IMG_8293

TV 0,4    F36    ISO 125

IMG_7989

TV 1/15    F 25    ISO 250

IMG_5937

TV 1/1000    F 6.3    ISO 500

IMG_2024

TV 1/800    F 5.6    ISO 160

IMG_2156

TV 1/1000    F 5.6    ISO 100

IMG_5855

TV 1/1000    F 5    ISO 100